Home Het Museum Les Poilus Verdun Links

LA VOIE SACRÉE
De levensader van Frankrijk...



Soldaten en vrachtwagens, La Voie Sacrée 1916

Gemotoriseerd vervoer kwam tot ontwikkeling tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het bestond vrijwel niet in 1914. Het leger bezat aan de vooravond van de mobilisatie slechts 170 voertuigen, maar verkreeg het nodige aantal door vordering tot terbeschikkingstelling van de staat. In 1918 was het gemotoriseerd vervoer één van de voornaamste middelen van oorlogsvoering geworden.

De eerste poging tot rationele organisatie van gemotoriseerd vervoer vond plaats op 1 en 2 september 1914 met de evacuatie van Reims. Dit gebeurde onder leiding van bevelhebber Doumenc, stafofficier, die we later terugvinden in Verdun waar de ervaring met de organisatie van de weg van Bar naar Verdun een grote bijdrage leverde aan de ontwikkeling van ideeën over de vorming en het gebruik van militaire gemotoriseerd vervoer. Deze experimenten in 1914 en 1915 toonden met name aan dat om dergelijke operaties te doen slagen het absoluut noodzakelijk was op tijd over het nodige aantal voertuigen te beschikken en de weg volledig onder controle te hebben. Langzamerhand, dankzij punctuele analyses en met de versterking van het wagenpark door het opzetten van een oorlogsindustrie en bestellingen geplaatst in het buitenland (Italië, Verenigde Staten), werden de contouren van een algemene doctrine zichtbaar. Zo vond het idee ingang om een grote reserve aan te leggen ter beschikking van de opperbevelhebber. Deze reserve bestond uit secties van 25 voertuigen, samengevoegd tot groepen van 4 secties (plus een reparatiewerkplaats). 5 of 6 van die groepen vormden op hun beurt een eenheid. Een eenheid van 600 voertuigen kon in één keer een hele brigade vervoeren. De eerste eenheid werd samengesteld in april 1915. Aan het einde van hetzelfde jaar waren er 5 eenheden, in 1916 waren dat er 13 en in juli 1918 25! Dat betekent dat begin 1916 het gemotoriseerde voertuig, dankzij de uitbreiding van het wagenpark, de opzet van de "reserve" en van reparatiewerkplaatsen en dankzij de vooruitgang geboekt in het gebruik ervan, een opmerkelijk militair hulpmiddel was geworden.
 

De Slag bij Verdun heeft dit plotseling aan het licht gebracht, want een groot deel van de kansen op verzet van Verdun waren afhankelijk van de mogelijkheid om versterking, munitie, en materiaal naar het front te kunnen vervoeren en afgeloste troepen of gewonden te kunnen afvoeren. Op spoorlijnen kon men niet rekenen, want die van Lérouville was bij Saint-Mihiel verspert en die van Châlons bij Aubréville. De plaatselijke smalspoorlijn (een één meter breed) die Bar met Verdun verbond had een debiet van maximaal 800 ton per dag, terwijl een vervoerscapaciteit van wel 10 maal die hoeveelheid nodig was. Bleef dus de weg over en de ervaringen opgedaan gedurende de afgelopen jaren kon op deze departementale verkeersader (in 1915 verbreed tot 7 meter) worden toegepast. De weg was echter bochtig en maar gedeeltelijk van een steenlaag voorzien.

Op 19 februari, toen de bedreigingen aan het front bij Verdun steeds duidelijker werden, besloot de algemene staf tijdens een werkbijeenkomst in Bar le Duc, kapitein Doumenc, die over de het wagenpark ging, met dit probleem te belasten. Op 20 februari werd de Commission Régulière Automobile in het leven geroepen die tot taak had 2 000 ton per dag aan goederen te vervoeren naar de streek bij Verdun en tegelijkertijd zo'n 15 tot  200.000 manschappen.


Soldaten en vrachtwagens, La Voie Sacrée 1916
 



Soldaten nemen een rustpauze, La Voie Sacrée 1916

 

Men besloot dus de weg onder volledige controle te nemen. Hij werd uitsluitend toegankelijk voor gemotoriseerde voertuigen. Elk voertuig met pech dat niet op sleep kon worden genomen moest in de greppel worden geduwd. De weg zelf werd verdeeld in 6 cantons waarbij elke kantoncommandant de Regelcommissie vertegenwoordigde en de beschikking had over de nodige middelen voor verbinding, toezicht op de toegang en reparatie. De automobielafdeling hoefde zich niet te bekommeren over de artillerie of de door paarden voortgetrokken konvooien die zich onafhankelijk verplaatsten en geen gebruik maakten van de bewaakte weg. Ook had zij niets te maken met het vervoer van proviand dat gebeurde over de plaatselijke spoorlijn. Al de rest, infanterietroepen, munitie en divers materieel moest wel worden vervoerd. Alles arriveerde per spoorlijn in de regio van Revigny, Bar-le-Duc en vooral op het station van Baudonvillers ten zuiden van Bar, het vertrekpunt van deze weg die zich uitstrekt over 75 kilometer tot aan het kruispunt van Moulin Brûlé. De Regelcommissie was bedrijfsvaardig op 22 februari. Commandant Girard (waterstaats- en wegenbouwkundig ingenieur) liet steengroeves aanleggen langs de weg waar 1 200 landweermannen dagelijks stenen gooiden rechtstreeks onder de schijfwielen, waarbij de voertuigen, die met een snelheid van 15 tot 20 km/ uur reden, zelf dienst deden als wegwalsen. Commandant Girard werd (behalve door kapitein Doumenc) bijgestaan door 19 officieren en 250 onderofficieren en soldaten. Tijdens de Slag bij Verdun, vervoerden de 51 groepen om en nabij de 9000 voertuigen (waarvan er 6000 onafgebroken over deze "jacobsladder" reden) 90 000 mensen en 50 0000 ton materiaal. Er werd een totale afstand afgelegd van 1 miljoen kilometer. 7 automobieleenheden waren op deze manier actief.

 

Als we daar de interne middelen van het leger aan toevoegen, hospitaalvoertuigen enz. ging het om een totaal van 8 000 voertuigen die elkaar opvolgden (1 elke 14 seconden) van Bar naar Verdun. Gedurende de maanden maart tot juni 1916, bedroeg het maandelijks verkeer meer dan 500 000 ton en 4000 000 man zonder de 200 000 gewonden mee te tellen die door de hospitaaldiensten werden afgevoerd. Gedurende de hele Eerste Wereldoorlog vonden nergens elders op één enkele weg en voor een dergelijk lange duur zulke omvangrijke transporten plaats.

Zo werd twee miljoen ton vervoerd tijdens de Slag bij Verdun terwijl de landweermannen onvermoeibaar, de ene dag na de anderen, 700 000 ton kalksteen onder de wielen gooiden van deze eindeloze ketting die dag en dacht doorreed. Aanvankelijk moesten de chauffeurs het 18 uur per dag uithouden aan het stuur. Soms bleven ze meer dan 10 dagen op hun post (met slechts enkele uren slaap achter in hun vrachtwagen). Er ontstond een zeker trots en wedijver bij deze mannen die hun groepen onderscheidden met insignes: zwaan, klaverblad, haan, e.d. en de eenheden door kleuren. Op 15 januari 1917, toen de taak was volbracht, werd de Regelcommissie ontbonden. Het is duidelijk dat zij (veruit) het vitale orgaan was voor de bevoorrading voor de Slag bij Verdun.

Aan het meterspoorwegnet (ook wel de "Meusien" of de "Varinot" genoemd, naar de streek en naar de constructeur) werd in februari 1916 volop gewerkt (rails en ballast werden versterkt over het 78 km lange traject). "

Het rollend materieel dat (wat tractie betreft) bestond uit een twintigtal machines met een beperkt vermogen, was onvoldoende. Men liet dus materieel komen van andere dergelijke "boemeltreinspoorwegen" in Frankrijk. Op 22 februari kwam uit Florac een eerste locomotief aan in Revigny, afkomstig van het spoorwegnet in Lozère, Deze kwam uit de werkplaats Fives in Lille. Daarom had hij in Lozère de bijnaam de "Lilloise" gekregen. Enkele dagen later zond de spoorwegmaatschappij uit Lozère twee andere Mallet locomotieven die "Louisette" en "Cecile" werden gedoopt (de "Lilloise" en de "Louisette" kwamen in 1919 terug in Florac). De machines van de "Meusien" spoorlijn hadden slechts twee trekassen, terwijl die van de "Lozérienne" er vier hadden en belast 40 ton wogen (de "Meusiennes" slechts 15 tot 20 ton).
 


Een der vele grenspalen langs La Voie Sacrée.


De departementale spoorwegen hadden ook zo'n 800 wagons gestuurd: voor reizigers- ,vee- of goederenvervoer, die de "Meusien" kwamen versterken, hetgeen de nodige problemen gaf op het gebied van de remmen (uiteenlopende modellen) en buffers (op verschillende hoogte), verschillende tussenafstand e.d…

De spoorwegarbeiders van het 5e geniekorps (10e Compagnie) brachten dat allemaal in orde en legden tegelijkertijd nieuwe sporen aan (bijvoorbeeld van Nixéville naar Dugny), verdubbelden bestaande sporen, en bouwden instapkades. De gebruikte ballast kwam ook uit Lozère (uit Chapeauroux) en door een onverwachte maar efficiënte samenwerking werd deze tevens gebruikt voor de versterking van de Voie Sacrée.  Dit waren de omstandigheden waaronder de "Meusien" als voornaamste taak had proviand te vervoeren en mee te werken aan het transport van gewonden.  

<<< La Voie Sacrée, vlak na de oorlog.
 


Voie Sacrée maart 1916 500 000 ton
400 000 personen
Meusien maart 1916 54.000 ton
14 175 personen, waarvan 8.388 gewonden
Voie Sacrée juni 1916 500.000 ton
400.000 personen
Meusien juni 1916 10.000 tonnes
73.500 personen, waarvan 27.960 gewonden

Er waren 800 wagons in dienst die in februari dagelijks 22 treinen vormden met dubbele aandrijving en in april 35. De afvoer van gewonden (bijna onmogelijk aan het begin van de strijd door gebrek aan materieel) begon met 1 hospitaaltrein per dag. Later werd deze gebracht op 2 en later 3 treinen. Over het algemeen (ondanks deze prestaties) bereikte de Meusien niet volledig het geplande programma. Het totaal van 800 ton proviand per dag in februari liep op tot 2 650 ton in juni, het totaal van gewonden van 300 per dag in februari tot 930 in juni. De hospitaaltreinen vervoerden 105 liggende en 150 zittende gewonden, plus het medisch en verplegend personeel dat permanent in de wagons was ingekwartierd.  De tabel toont aan dat de Voie Sacrée reeds in maart haar maximumrendement had bereikt en dat, ondanks alle zeer opmerkelijke inspanningen de Meusien toch niet meer dan een aanvullende dienst leverde.

Op 21 juni werd na 400 000 m3 zwaar grondwerk een extra normaalspoor in dienst genomen dat Sommeilles-Nettancourt met Verdun verbond via Dugny. De voornaamste taak was echter al vervuld over de weg die Barrès in april 1916 de Voie Sacrée noemde. Deze werd in gebruik genomen op 21 augustus door Raymond Poincaré en tot rijksweg verheven op 30.12.1923.

 


Het chauffeursmonument, La Voie Sacrée heden.
 



Detail van het chauffeursmonument, La Voie Sacrée heden.

In juli 1916 was het motorvervoer in de Somme belast met de bevoorrading en de aflossing. Het systeem van Verdun met de bewaakte weg met de "Commission Régulatrice Automobile" heeft getoond dat het voortreffelijk was. In november 1917 besloot het opperbevel plotseling een operatie van het type "Voie Sacrée" te lanceren om een aanval door de Engelsen te ondersteunen. Binnen de 24 uur werd (in samenwerking met de spoorwegen) het transport van 3 complete divisies georganiseerd over 140 kilometer. Deze transporten van 1917 en de ervaringen bij Verdun zorgden dat de organisatie op dit gebied in 1918 optimaal was en dat men kon standhouden tegen de verschillende Duitse offensieven van maart-april en de offensieven van de geallieerden vanaf juli. Hiermee kon een door het bevel onverhoopt record worden bereikt: In juli 1918 vervoerde de automobieldienst 1 200 000 ton en 1 miljoen mensen.

Tegenwoordig is de Voie Sacrée afgebakend met grenspalen. Wij hopen dat deze de toeristen, die de bedevaartstocht maken eraan herinneren dat deze weg voor miljoenen mensen de eerste en vaak de laatste fase vormde van een zware lijdensweg.
 

 


Adresgegevens:

Locatie: kaart

N.b.: de locaties zijn te bezichtigen maar kennen geen specifieke openstelling.

Tel: n.v.t.
Email: n.v.t.
Website: n.v.t.

 

 


NAAR BOVEN