|
|
|
DE MIDDELEEUWSE WALLEN |
|
|
|
|
Locatie: kaart |
Zoals alle middeleeuwse steden kreeg Verdun al spoedig behoefte aan een versterkte omwalling. De vesting van de eerste tijden het Romeinse castrum (llde eeuw) werd dan ook vervangen door een versterkte ring, Fermete genoemd, waarvan de Porte Chatel (Xllde eeuw) thans het enige overblijfsel is. De noodzaak om de lagere buurten, het handeldrijvende Mazel (macellum = markt), te beschermen geeft in de XI llde eeuw aanleiding tot de aanleg van de petit rempart, die in latere eeuwen wordt vervangen door de grand rempart, waarvan de Porte Chaussée het voornaamste bouwwerk is. Deze in 1380 op kosten van Wautrec, de deken der kooplieden in Verdun, opgetrokken poort is een kasteeltje met twee dikke, drie verdiepingen hoge, ronde torens, zorgvuldig aan elkaar aangepast en door een tussenstuk verbonden. Het gemeenschappelijk platform is van een borstwering met kantelen voorzien en rust op een vooruitspringend draagwerk. Onder de boog van de ingang ziet men nog het zware, met metaal versterkte valhek. Van 1754 tot 1890 was dit gebouw een militaire gevangenis. Nu is het een beschermd historisch monument, dat op merkwaardige wijze getuigt van de middeleeuwse militaire bouwkunde. De grand rempart, of grote wal, uit de XIVde en XVde eeuw, omvat niet alleen de handelsbuurten van de benedenstad doch ook de abdijen Saint Vanne en Saint Airy, die zelf al versterkt waren. Het geheel was nog indrukwekkender doordat die ring — welke voor een aanzienlijk deel nog bestaat — door een groot aantal torens geflankeerd werd, waarvan de Tour des Plaids en die van de Islot mooie voorbeelden zijn. Laatstgenoemde is slechts een flankdekker, doch in de eerste was volgens de traditie het gewoonterechtelijk tribunaal gevestigd (en vandaar de naam Pleidooientoren). Achter die muren beschermd is de stad erin geslaagd aan de beroering van de Honderdjarige Oorlog en aan de feodale oorlogen van het Grote Schisma te ontsnappen en in de XVde en XVIde eeuw een economische heropleving te genieten die terdege blijkt uit de pracht van de persoonlijke woonst van de Kapitteldeken, de eerste domheer, die na de bisschop de voornaamste functie bekleedde. Dit elegante renaissancegebouw in Italiaanse trant, met zijn binnengalerij boven een kloostergang, is na de eerste wereldoorlog het zogenaamde Princerie-museum geworden (een vervorming van het woord primicier). Behalve de architectuur van de woning, waarvan het interieur niet oninteressant is, biedt het museum een mooi voorbeeld van een liturgische kam in fijn bewerkt ivoor, die naar men aanneemt aan Henri II heeft toebehoord, een belangwekkende collectie middeleeuwse beelden, waarvan een gedeelte uit Mont-devant-Sassey komt (onder andere een aansprekende Christus) en, wat het hedendaagse tijdperk en de Lotharingse traditie betreft, het Argonne-plateelwerk en de dragee-zaal. Dit plaatselijk suikergoed, dat vermaardheid geniet, is sinds de Middeleeuwen bekend. Het wordt door de gilde der apothekers bereid en was oorspronkelijk als geneesmiddel bedoeld. |
|
|
|
| NAAR BOVEN | |